Bericht uit 1958

Volkstuinvereniging Kweeklust  opgericht in 1936

Een copy van een onbekende krant van 23 juli 1958.

De schrijver is J.W. Westhoeve  Afdeling G.Terr.

Het onderstaande schrijven komt uit het  40 jarige  jubileumboek van Kweeklust welke ik heb opgedoken in het archief van het bestuur.  Bij mijn onderzoek naar de gegevens van de schrijver en in welke hoedanigheid deze het artikel heeft geschreven  liep ik vast, dus moet ik doen met de bronvermelding.

Het begint met,   Een nieuw “Kweeklust”  

Op 23 juli 1958  werd door de gemeenteraad besloten tot de aanleg van een volkstuinencomplex aan de Durgerdammerdijk. Dit complex zou dan het ten noorden van tuindorp Nieuwendam  gelegen “Kweeklust”vervangen , dat moest worden geplaatst in verband met de bestemming van dit terrein voor woningbouw.  Zoals bekend , is elke gemeente  tegenwoordig wettelijk verplicht haar stadsuitbreidingen overeenkomstig het al dan niet opgestelde Uitbreidingsplan uit te voeren.
Alvorens deze plannen kunnen worden goedgekeurd , liggen ze een bepaalde tijd voor iedereen ter inzage . Bezwaren tegen deze plannen kunnen dan binnen een bepaalde termijn kenbaar worden gemaakt.

Een plan zou geen goed plan zijn , als het niet van tijd tot tijd werd herzien, aangepast aan de veranderde , nieuwe toestand. Toen dan ook  in 1935 gronden aan de Zunderdorpergouw werden aangewezen, waarop een volkstuinencomplex (“Kweeklust”) kon worden aangelegd, heeft de Directeur Publieke Werken al opgemerkt, dat, in verband met het boogkanaal om de Noord, hieruit niet mocht worden geconcludeerd, dat het complex ongestoord ter plaatse zou kunnen blijven.

De Bond van Volkstuinders heeft het terrein toen gehuurd. Omdat de grond ter plaatse laag lag ten opzichte van het polderpeil en dus zonder meer niet geschikt was voor de aanleg van tuinen , heeft de gemeente  Amsterdam de eerste jaren als tegemoetkoming een lagere huur gesteld. Het bleek , dat grondverbetering met behulp van de uit te graven sloten vrijkomende grond niet voldoende was.
Pas na jaren intensief bewerken en bemesten zou de grond geschikt worden voor het gestelde doel.

Het complex , in 1937 in gebruik genomen, leverde een niet erg bevredigde  exploitatie op. Voortdurende financiële moeilijkheden waren het gevolg. Na de tweede wereldoorlog zag men in, dat verlaging van de grondwaterstand  met behulp van een gemaaltje de enige mogelijkheid was om de bestaande toestand iets te verbeteren. Veel was hier niet van te verwachten , beweerde men toen, omdat de zeer slappe grond bij enigszins diepere afmaling sterk zou inklinken. Men heeft het geprobeerd: de bemaling is er gekomen : de klink is meegevallen!

Wanneer in een uitbreidingsplan wordt gesteld , dat ter plaatse van een bestaand complex volkstuinen huizen moeten worden gebouwd,  kan men zeggen : neem  het terrein uit de huur en maak het bouwrijp. Dit is echter een te eenvoudige voorstelling van zaken. Er moeten  namelijk doorslaggevende  argumenten worden aangevoerd, waarom blijft het complex niet liggen, waar het ligt  en wordt het niet gewoon in de te maken stadsuitbreiding opgenomen?  Dan ligt er toch te midden van de huizenzee een brokje natuur!

Er zijn verscheidene redenen, die dit niet wenselijk maken. In de eerste plaats zouden de bewoners van de buurten ter weerszijden van het complex , evenals een ieder , die van de ene buurt naar de andere buurt wil gaan, een lange omweg moeten maken om het reisdoel te bereiken .  Zo’n afgesloten gebied in een stad levert moeilijkheden op.

In de tweede plaats is de stelling , dat “groen “in de stad zo belangrijk is, als argument voor het handhaven van een volkstuinencomplex niet sterk, want de tuinen kunnen niet door iedereen worden gebruikt , ook al stelt men het complex vrij toegankelijk  voor publiek.  Wanneer men groen in een stad wil hebben, maakt men liever een park of een plantsoen, dat ook door  aanleg beter passend kan worden gemaakt.   

In de derde plaats staat een technisch argument , dat een zeer groot gewicht in de schaal legt.
Om het complex  te sparen  binnen het op te hogen terrein kan men aan de rand ervan een strook ter breedte van tenminste 25 meter niet ophogen. Immers , wanneer men op deze slappe grond een zandpakket met een dikte van ongeveer  2meter aanbrengt, zal dit de slappe grondlagen samendrukken en aan de rand opzij wegdrukken, ongeveer op dezelfde wijze als we op een zomerse dag het ijs tussen twee wafeltjes uitdrukken om het te kunnen  opeten. De zijdelinks  weggedrukte grond ( slap veen, soms enkele meters dik ) zoekt een uitweg en bij de ophogingen rond Amsterdam ontstaan dan ook altijd aan de rand van deze ophogingen de bulten opgeperste grond.

Die kan men natuurlijk niet in een volkstuin hebben; men zou (overigens terecht) protesteren.   In ons geval zouden we om een oppervlakte van 5ha te sparen een oppervlakte van ruim 8ha niet kunnen ophogen. Er zou dus nog eens extra ruim 3ha worden onttrokken aan de toch al zo schaars voorhanden zijnde grond voor woningbouw.

Wordt vervolgd......